Waarom moeten aanstaande moeders op hun eten letten, en aanstaande vaders niet?

Opinie, De Standaard (2024)

Een Britse maatregel uit de Tweede Wereldoorlog biedt zeventig jaar later onverwachte inzichten over het uitstellen of zelfs voorkomen van diabetes en hoge bloeddruk. Amerikaanse onderzoekers bestudeerden de effecten van beperkte suikerinname tijdens de ‘eerste duizend dagen’: de zwangerschap samen met de eerste twee levensjaren van een kind. De invloed van naoorlogse moeders op de gezondheid van de huidige Britse zeventigers bleek aanzienlijk: een derde van de positieve effecten van de rantsoenering van suiker was te danken aan het eetpatroon van de moeder tijdens de zwangerschap.

Als de onderzoekers gelijk hebben, kunnen aanstaande moeders met gezonde keuzes diabetes en hoge bloeddruk bij hun kinderen helpen te voorkomen of uit te stellen. Veel mensen zullen juichend aan de zijlijn staan bij zulk nieuws. Hoe meer we weten, hoe beter we voor onszelf en elkaar kunnen zorgen. Maar de neiging om het dieet van toekomstige moeders verder te optimaliseren heeft een lange geschiedenis en de eisen worden steeds strenger. De lijst met voedingsmiddelen, supplementen en zelfs leefregels voor zwangere vrouwen wordt elk jaar langer. En wie zich daar niet aan houdt, riskeert het oordeel een slechte moeder te zijn. Je geeft je kind een nadeel ten opzichte van andere, gezondere kinderen.

Vaderschapseffecten

Zelf ben ik geen moeder, maar ik vind die trend angstaanjagend. Hij berust om te beginnen op de overtuiging dat alleen vrouwen een invloed hebben op de gezondheid van hun kroost. Toen mijn schoonzus besloot dat ze zwanger wilde worden, stopte zij bijna meteen met roken, dronk minder alcohol, en begon gezonder te eten. Ze vertelde me dat haar zus haar had aangeraden om foliumzuur te nemen en dat de arts haar andere medicijnen voor haar reuma had voorgeschreven om de baby te beschermen. Toen ik mijn broer vroeg wat hij had aangepast, was zijn antwoord kort: “Niets.” Het klinkt vanzelfsprekend, want de gezondheid van de vrouw heeft invloed op het kind en die van de man niet. Toch?

De gedachte dat mannen alleen hun genetische materiaal bijdragen en verder geen invloed hebben, is een hardnekkige misvatting. In Guynecology. The missing science of men’s reproductive health onderzoekt sociologe Rene Almeling ons gebrek aan kennis over vader­schapseffecten. Voortplanting, en dus de gezondheid van het kind, wordt nog altijd als een vrouwenzaak gezien. Het is een feedbackloop, zegt Almeling: onderzoeken zoals dat naar suiker­rantsoen herinneren ons eraan dat vrouwen invloed hebben op de gezondheid van hun kinderen. Die informatie motiveert vrouwen om meer vragen aan medische professionals te stellen en zet onderzoekers aan tot meer onderzoek naar moederschaps­effecten. Zo weten we iedere dag meer over de invloed van de gezondheid van vrouwen op hun nageslacht en worden ze aangemoedigd om zich aan strenge leefregels te houden voor de gezondheid van hun kinderen.

En hoe zit het dan met vaders? Hoewel onderzoek naar vaderschaps­effecten nog in de kinderschoenen staat, heeft de gezondheid van het zaad wel degelijk invloed op de gezondheid van het kind. Terwijl eicellen al van bij de geboorte van de toekomstige moeder klaarliggen om te rijpen, zijn zaadcellen pas drie maanden voor de conceptie in de maak. Die drie maanden zijn belangrijk voor de gezondheid van de zaadcel en dus van het kind.

Een vader die in de maanden voor conceptie rookt, vergroot de kans dat hij een kiemlijnmutatie meegeeft, zo schrijft Almeling. Kiemlijnmutaties zijn genetische, soms schadelijke afwijkingen die niet gedragen worden door de ouders, maar wél worden doorgegeven aan hun kinderen en de volgende generaties.

Onze kennis van moederschaps­effecten is heel uitgebreid. Kennis levert geen vrijheid op, als ze direct omslaat in een gebod om een goede moeder te zijn en te luisteren. Die kennis over vrouwen is zelfs geen goede weg naar kennis over ouderschapseffecten, als we de helft van de bevolking systematisch buiten beschouwing laten.

Ratrace

Maar er schort nog wat anders aan dat soort onderzoek: het idee dat moeders er alles aan moeten doen om de perfecte baby op de wereld te zetten.

Behalve aan de inhaalslag wat betreft de verantwoordelijkheid van de vaders, mogen we ook werken aan onze obsessie met het op de wereld zetten van het gezondste kind. Als we over genetische manipulatie praten, hebben we het al snel over de gevolgen van de zoektocht naar het sterkste nageslacht. Wie het zich kan veroorloven, zo luidt de waarschuwing, zal voor het beste kind kiezen. Het risico is dat rijke mensen slimmere, gezondere, knappere kinderen krijgen dan de rest van de bevolking.

Voor ouderschapseffecten geldt hetzelfde. Niet iedereen heeft het geld om voeding te optimaliseren of de tijd om iedere dag een uur in de keuken te staan voor de perfecte eerste-duizend-dagenmaaltijd. Het klinkt heel nobel om het beste voor je kind te willen. Maar is het echt in naam van een hoger goed? We sleuren elkaar mee in een competitie om het beste kroost. Een paar maanden langer leven, een jaar langer geen diabetes, een kleinere kans op genetische afwijkingen. Welkom in de eeuwige ratrace naar het “gezondste” kind.

De druk op moeders om deel te nemen aan die race neemt toe, terwijl vaders vaak buiten schot blijven. Het zou beter zijn om de focus te verleggen naar ouderlijke gezondheid in brede zin, maar ook een ‘goed-genoeg’-menta­liteit is nodig om die obsessie met optimalisatie los te laten. Dat maakt de samen­leving eerlijker, zowel op het gebied van gender als van economische gelijkheid. Ons welzijn reikt verder dan alleen de zorg voor baby’s.